Voorrangsvoertuig

voorrangsvoertuig

Alle weggebruikers moeten voorrangsvoertuigen voor laten gaan, zonder een gevaarlijke situatie te creëren. Bijvoorbeeld een rood verkeerslicht negeren, of een vluchtstrook gebruiken mag niet!

Alleen als het motorvoertuig optische en geluidssignalen tegelijkertijd voert is het een voorrangsvoertuig. Ontbreekt één van die twee dan is het géén voorrangsvoertuig meer.

Soms rijden voorrangsvoertuigen tussen het verkeer door. Je dient dan ruimte te maken, om het voorrangsvoertuig de kans te geven te passeren.
Je kunt dit doen door bijvoorbeeld uit te wijken naar links of naar rechts.
Allereerst moet je kijken vanuit welke richting het voorrangsvoertuig nadert. Daarna moet je bepalen, i.v.m. de veiligheid, wat je het beste kunt doen om zo veilig mogelijk ruimte te maken. Pas jouw snelheid aan indien dat nodig is. Het is ook belangrijk dat je kijkt naar de overige weggebruikers. Wanneer iedereen bezig is met uitwijken naar rechts dan volg je deze medeweggebruikers. Als iedereen is bezig om uit te wijken naar links dan wijk je ook uit naar links. Zo krijgt de bestuurder van een voorrangsvoertuig ook een duidelijk beeld waar hij het veiligst door kan rijden. Je dient dit te doen zonder dat je de verkeersregels overtreed of gevaar veroorzaakt.

Bestuurders van motorvoertuigen die voor nader aan te geven werkzaamheden worden gebruikt, voeren onder nader aan te geven omstandigheden geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht. De in artikel 29, eerste lid, genoemde bestuurders voeren in die gevallen geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht in plaats van blauw zwaai-, flits- of knipperlicht. De bestuurder van het motorvoertuig die als eerste of enige de plek bereikt om de daar aan hem opgedragen taak uit te voeren, mag in plaats van dat licht, blauw zwaai-, flits- of knipperlicht voeren.

Artikel 1 van het RVV:
Voorrangsvoertuig: motorvoertuig dat de optische en geluidssignalen voert als bedoeld in artikel 29.

Artikel 29 van het RVV:

  • 1 Bestuurders van motorvoertuigen in gebruik bij politie en brandweer, motorvoertuigen in gebruik bij diensten voor spoedeisende medische hulpverlening, en motorvoertuigen van andere door Onze Minister aangewezen hulpverleningsdiensten voeren blauw zwaai-, flits- of knipperlicht en een tweetonige hoorn om kenbaar te maken dat zij een dringende taak vervullen.

  • 2 De in het eerste lid genoemde bestuurders mogen aanvullend op de in dat lid bedoelde verlichting overdag knipperende koplampen voeren.

  • 3 Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht, de tweetonige hoorn en de knipperende koplampen.